Archive for the ‘rainer werner fassbinder’ Category

h1

frame 03 | geen idee

13 augustus 2011
Ich will doch nur, daß ihr mich liebt

Ich will doch nur, daß ihr mich liebt | Rainer Werner Fassbinder, 1976

In een interview met een klas schoolkinderen in 1979 antwoordde Rainer Werner Fassbinder als volgt op de vraag hoe zijn perfecte zondagochtend eruit zou zien:

Caviar, champagne, the Eighth Symphony of Mahler, “radio activity” by Kraftwerk, the Sunday Bild paper, a book so exciting you don’t want it to end, a friend, a good friend, and the possibility of unplugging the phone.

Er zijn weinig fanatiekere filmfanaten dan Fassbinder geweest, maar het is belangrijk om het essentiële onderscheid tussen film en films in te zien. Copycat Tarantino bv houdt van films, Fassbinder hield van film. George Clooney staat erom bekend dat hij vrienden voor hun verjaardag de complete Criterion collectie cadeau geeft – Clooney houdt duidelijk van films. Maar Godard, die alles zag en alles wist en over alle films schreef (goed of slecht, true of false), houdt van film. Waar dat toe leidt – een liefde voor film, maar niet noodzakelijkerwijs voor films – blijkt uit de notitie die Fassbinder maakte toen hij in 1982 met gepaste tegenzin naar het filmfestival van Cannes ging:

But suddenly I had another idea – call it crazy if you like, maybe it is. I had the idea of not watching any movies in Cannes. For one thing, they begin at a specific time, and for another thing, I found the notion of getting an impression of films only through people who had seen them incredibly exciting. In this way I hoped to learn more, or at least something different, about film in itself and its effect on people than if I’d seen those films myself.

beide citaten uit The Anarchy of the Imagination (edited by Michael Töteberg & Leo A. Lensing, 1992)

Daarom dus geen film op Fassbinders ideale zondagochtend, mocht u zich dat hebben afgevraagd.

Advertenties
h1

frame 66 | remembering fassbinder

10 juni 2009
Das Kleine Chaos

Das Kleine Chaos | Rainer Werner Fassbinder, 1966

Vandaag is het precies 27 jaar geleden dat Rainer Werner Fassbinder overleed.

In the life of every human being there comes the terrible, wondeful moment that forces its way into the consciousness of some like a lightning bolt and into the subconscious of others like a sacred pain, the moment when you recognize the finitude of your own existence. […] This terrible recognition that we will come to an end, instead of liberating us, which it actually could and should, rather shores up our tormented pursuit of pleasure, our happiness in our mediocre unfreedom. The enjoyment made possible by this recognition of the ultimate meaninglessness and actual fortuitousness of every existence is not taught as enjoyment to be experienced, not as pleasurably liberated pleasure, but as fear, which in pleasureless pleasure makes absence of freedom palatable.
This admirable jungle seems to have no way out, except through the decision in favor of death, except perhaps for the path described in Despair, the path into madness, which one can choose for oneself. […] One day, when I demand a decision of myself, I hope I’ll have the courage to choose one of these paths, and not to settle for the easy way out.

Rainer Werner Fassbinder, 1978 (uit The Anarchy of the Imagination, edited by Michael Töteberg & Leo A. Lensing, 1992)

Aldus, als famous last words: de slotzinnen uit Fassbinders derde (korte) film, Das Kleine Chaos (hier op youtube).

Wat vooraf ging: Franz (Fassbinder), Marite en Theo hebben een vrouw beroofd.

FRANZ Wat ga jij doen met jouw deel van de buit?
MARITE Ik ga een jurk kopen, make-up, dat soort dingen.
FRANZ En jij?
THEO Misschien een teddybeer voor mijn zoon. En jij?
FRANZ Ik? Ik ga naar de film!

– zoom op Fassbinders lachende gezicht, popmuziek kicks in (I can’t control myself), Fassbinder & friends rennen naar buiten, aftiteling (zie frame), schluss.

~ meer fassbinder in frames 42 en 54

h1

frame 42 | cui bono? (rainer werner fassbinder zei het al in 1981…)

29 januari 2009
Lola

Lola | Rainer Werner Fassbinder, 1981

Rainer Werner Fassbinder zei het al in 1981:

Wat vooraf ging: het nieuwe hoofd van de gemeentelijke afdeling bouwzaken, Von Bohm (Armin Müller-Stahl), bindt de strijd aan met de corrupte elite van een klein stadje in het Duitsland van 1955. Hij verzamelt belastend materiaal tegen de machtige en amorele bouwondernemer Schuckert en speelt de bewijzen van diens frauduleuze praktijken door aan een verslaggever van de plaatselijke krant, Weizmann (Karsten Peters).

VON BOHM En?
WEIZMANN U had me een schandaal beloofd, maar ik zie alleen maar contracten.
VON BOHM Contracten… Natuurlijk zijn het contracten. Gelooft u dat de duivel tegenwoordig nog naar zwavel stinkt? Gelooft u dat werkelijk?
WEIZMANN De duivel? Nee.
VON BOHM Hij heeft parfum opgedaan. Mooie kleren aangetrokken. Maar zijn snode plannen zijn niet veranderd. (wijzend op de contracten) Dit is een pact, een samenzwering. Een complot! Noemt u het een contract als u wilt.
WEIZMANN Die samenzwering waar u het over heeft, wat heeft die tot doel, volgens u?
VON BOHM Ha! Nu komen we tot de kern van de zaak. U vraagt naar het doel, ik antwoord: cui bono? Wie profiteert ervan? Bekijk de namen op de contracten. Dan heeft u het antwoord.
WEIZMANN Allemaal vooraanstaande burgers van de stad.
VON BOHM Vooraanstaanden! De machtselite, de heersende klasse. Dat heb ik van een theoreticus in de maatschappijkritiek.
WEIZMANN De vraag blijft: wat is het doel? Welk doel heeft de heersende klasse volgens u?
VON BOHM Het doel? Zich verrijken.
WEIZMANN Daarvoor worden contracten juist afgesloten.
VON BOHM Maar op wiens kosten? Dat zal ik u vertellen. Ten koste van de armen. De rechtelozen. De uitgebuiten.
WEIZMANN Maar die hebben er toch ook wat aan. Als de een rijk wordt, wordt de ander dat ook. Misschien niet echt rijk, maar ze blijven tenminste niet zo arm. Ik bedoel, daarom noemen we onze markteconomie toch ook sociaal. Omdat er voor iedereen wel wat te winnen valt. Dat zijn de spelregels. Begrijpt u?
VON BOHM Ja, ik begrijp het. De spelregels. Dat heb ik mijn raadgever ook gezegd. Dat we de spelregels moeten veranderen.

We kunnen de journalist een paar scènes later zwijgend aan tafel zien zitten bij de machtselite. Von Bohm verliest zich enigszins in zijn strijd tegen de spelregels, die hij overigens alleen was aangegaan wegens zijn gefnuikte liefde voor Barbara Sukowa (Lola), de hoer van bouwondernemer Schuckert. Uiteindelijk legt Von Bohm zich neer bij de schijnbaar onvermijdelijke marktwerking: hij wordt zelf handelswaar, in een ruil tussen liefde en macht. Lola wint, maar wint alleen door haar rol als koopwaar te bevestigen.

Aldus laat Fassbinder zien dat er in 1955 al geen optie meer was buiten het marktkapitalisme om. De enige manier om te overleven, is erin mee te gaan en te zorgen dat je aan de kant van de winnaars komt te staan.

h1

frame 54 | leeg frame

31 augustus 2008
Warum läuft Herr R. Amok?

Warum läuft Herr R. Amok? | Rainer Werner Fassbinder, 1970

De huiskamer van Kurt Raab, hoofdpersoon van Warum läuft Herr R. Amok? Nadat Kurt Raab amok heeft gemaakt (dwz zijn zoontje, zijn vrouw en haar vriendin heeft doodgeslagen) verdwijnt hij in de aangrenzende kamer – laten we het de slaapkamer noemen. De camera blijft nog eventjes in de lege huiskamer dralen, heel langzaam zoomt hij een stukje in op de bank, alsof hij zich even geen raad weet met de situatie. De bank, waar net zijn vrouw en haar vriendin nog zaten, is nu leeg. De huiskamer, waar net Kurt Raab nog was, is nu verlaten. In de achtergrond wordt er zometeen een zwart jasje op de witte stoel in het frame van de deurpost gegooid. Daarna een zwarte broek. Dan gaat het licht in de zijkamer uit: Kurt Raab gaat slapen.

Fassbinder laat zijn camera in de leegte van de huiskamer hangen en ontneemt ons het beeld van Kurt Raab, die net een driedubbele moord heeft gepleegd en nu gaat slapen. Dat doet Fassbinder eigenlijk steeds, vooral in deze film, maar ook in zijn andere films: ons, de kijkers, het drama ontnemen waar wij zo op hopen, waar wij ons aan verlustigen, waartoe wij veroordeeld zijn (of: geconditioneerd) door het medium. Fassbinder de-dramatiseert.

Dat betekent niet dat Warum läuft Herr R. Amok? een film zonder drama is – er is juist heel groot drama. Maar Fassbinder dwingt ons onze conventionele opvatting van filmdrama te vervangen door een ander soort drama. Niet de driedubbele moord is het drama, maar al het andere: een leven van niets, een betekenisloos en onzichtbaar mens, de oppervlakte, de bovenlaag van het alledaagse.

Dat is wat de film dramatiseert; het alledaagse, de oppervlakte van de banaliteit. Alle scènes in de film zijn gevuld met banale handelingen: Kurt Raab gaat een plaat kopen, hij helpt zijn zoontje bij zijn huiswerk, hij wordt dronken op een bedrijfsfeestje, zijn schoonouders komen op bezoek, een jeugdvriend komt op bezoek. Zelfs Raabs gruwelijke daad wordt door Fassbinder als een alledaagse beslommering in beeld gebracht.

Daaronder broeit en lurkt een hele, smerige wereld aan emoties, maar die is onbereikbaar door representatie. Of beter gesteld – alleen bereikbaar via de representatie van de fictie (maw: film). En Fassbinder weigert mee te gaan in dat leugenachtige repertoire, waarin causaliteit en identiteit het inherente tekort van de representatie moeten opvullen. (in de zin van: oh, hij is misbruikt in zijn jeugd, daarom doet hij nu… / hij is nu eenmaal zo’n soort mens, daarom doet hij nu…)

Nee, bij Fassbinder is dit frame, deze lege huiskamer, het drama. Dit is namelijk alles wat we kunnen zien. We zien de huiskamer, maar het drama speelt zich af daarachter, in de slaapkamer – en dat is dus het drama. Fassbinder laat ons met deze lege huiskamer weten dat Kurt Raab een mens is die niet gemist zal worden. Zoals ook zijn vrouw en zoontje mensen waren die niet gemist zullen worden. De lege huiskamer, net nog vol van leven, is in feite een huiskamer zoals alle huiskamers altijd zullen zijn, een onverschillige getuige, een onveranderlijke oppervlakte. Het is onze huiskamer, het is een huiskamer van vrienden, waar je bij binnenkomst immers ook niet weet of zich daar net misschien een ruzie of enig ander drama heeft afgespeeld.

Het film-frame is een representatie van de werkelijkheid. En in de frames van Warum läuft Herr R. Amok? zien we voornamelijk niets. Het zijn lege frames. Dat betekent niet dat Fassbinder de werkelijkheid als leeg of onvolledig ziet. Hij trekt alleen de conclusie uit het obvious verschil tussen werkelijkheid en representatie: dat representatie altijd onvolledig is, omdat een mens niet in representatie gevat kan worden. Waarom maakt Kurt Raab amok? Dat zullen we nooit helemaal weten – en dat is precies het punt dat Fassbinder maakt. Het gaat er niet om Kurt Raab te begrijpen, maar om te begrijpen dat Kurt Raab niet ís te begrijpen – althans niet door representatie, niet door fictie, niet door conventionele dramatische causaliteit, kortom: niet door film.

Fassbinder doet dus iets anders dan filmers als Antonioni, Godard etc. De klassieke art-film auteurs, de intellectuele regisseurs, stellen een andere opvatting van drama en narrativiteit in plaats van de conventionele opvatting. In Warum läuft Herr R. Amok? verschuift Fassbinder het drama. Hij laat je als kijker zelf tegen de beperkingen van klassieke drama opvattingen oplopen. De film frustreert enorm, zolang je ernaar kijkt met de routine van de psychologische causaliteit, die 99 procent van alle films kenmerkt. Maar als je dan ontdekt dat de titel eigenlijk geen vraag maar een antwoord is, verleg je je eigen dramatische verwachtingen, je verlegt je eigen kijk-kader, oftewel: je verlegt je eigen frame. Zo worden de lege frames opgevuld.