Archief voor de ‘famous last words’ Categorie

h1

frame 43 | remembering jean rouch

18 februari 2010
Chronique d'un Été

Chronique d'un Été | Jean Rouch & Edgar Morin, 1961

Vandaag is het precies 6 jaar geleden dat Jean Rouch overleed. Daar zit ie – helemaal rechts in het frame van zijn eigen film. Hij hangt eigenlijk tegen het kader aan, alsof hij het beeld uit wil bewegen, alsof hij niet helemaal zeker is van zijn plaats binnen het frame. Dat schurken tegen de randen van het kader is natuurlijk de ideale metafoor voor Rouchs relatie tot het medium. Er zijn weinig filmmakers die de grenzen van het frame zo hebben opgerekt als hij. Rouchs films schurken zelf ook, heen en weer tussen documentaire en fictie, tussen objectiviteit en subjectiviteit, tussen de rol van de filmmaker als observator en als participant, tussen presentatie en representatie, werkelijkheid en cine-werkelijkheid. Zijn films ontsnappen al die classificaties, maar schurken tegen allemaal aan.

Over zijn leven valt er in feite niets toe te voegen aan de uitstekende autobiografie die hij van zichzelf gaf, in de Nederlandse documentaire De Bende van Rouch (Steef Meyknecht ea, 1993):

We zijn allemaal amateurs. In de zin van Flaherty; mensen die houden van wat ze doen. Ik was ingenieur en ik ben amateur-etnograaf.

Wellicht alleen nog dit: dat hij op zijn zevende voor het eerst in zijn leven een film zag – en dat die film Nanook of the North was. In de zin van Flaherty… (Flaherty zou met Vertov altijd Rouchs grote voorbeeld blijven.)

Jean Rouch maakte een halve eeuw geleden films die alles wat er tegenwoordig wordt gemaakt lachwekkend en leugenachtig doen lijken. Rouch was een van die weinige filmmakers die het lollige en het ernstige moeiteloos aan elkaar kunnen koppelen, die inzicht en intelligentie in dienst kunnen stellen van handeling, in plaats van het andersom te doen (zoals Michael Moore bv) of handeling helemaal uit te bannen (~ Chris Marker).

Handeling – dat is: het worden van de wereld. Want alles bij Rouch is in wording, in beweging: het onderwerp van de film, het denken, de blik, de betekenis, het hele medium zelf. In het tijdperk van de direct cinema was iedereen in beweging; het waren de hoogtijdagen van de mobiele en flexibele filmmaker, maar Rouch was het snelst en meest mobiel van allemaal – en liep op iedereen vooruit in zijn vernieuwingsdrang van techniek (hij was de eerste die een lichte schoudercamera met – destijds revolutionair! – directe, synchrone geluidsopname gebruikte) en vorm (hij introduceerde bv de door Godard et alii overgenomen jump cut).

En in het tijdperk van de cinéma vérité was iedereen eerlijk, maar Rouch was de meest waar-achtige, omdat hij zich als amateur-etnograaf (en amateur-socioloog) als geen ander bewust was van de inherent leugenachtige rol van de filmmaker.

It’s the same as in the humanistic sciences. When you observe people, you’re automatically present and there’s nothing you can do about it; so there’s a distortion of truth. The humanistic sciences are terribly subjective. Even when you use a computer, the way the question is posed influences the answer. The way of shooting influences whatever you’re filming. This may be the reason why I work with a very small team and why I want to be my own cameraman: to be subjectively responsible for what I shoot.

Interview met Jean Rouch door Dan Yakir, in Film Quarterly, 1978 (volledig interview hier)

Zelf de camera hanteren, om de volledige verantwoordelijkheid op zich te nemen van de werkelijkheidsverstoring die film is. In Moi un Noir, wat mij betreft de quintessentie van het filmmaken, gaf Rouch uiteindelijk de camera uit  handen – aan de hoofdpersoon van de film, opdat die zijn eigen verhaal zelf zou vastleggen. Voorwaar, een McLuhanesque reversal van cinéma vérité (- de ultieme ‘ware’ filmdaad is de camera af te geven, terug te geven aan de werkelijkheid), die in feite nog een stap verder gaat dan wat André Bazin in Ladri di Biciclette zag (~ zie frame 16).

Op Senses of Cinema zegt iemand het zo:

In Chronique d’un été, Rouch is considered to be responsible for introducing the term cinéma vérité, as homage to Dziga Vertov’s ‘kino-pravda’, referring to his desire to create a reality between documentary and fiction through the camera’s co-existing attributes of objectivity and subjectivity.

Rouch seems to think that cinema’s claim to the real automatically excludes the essence of it, and therefore represents it in his texts with such complex and numerous layers that the final product is somehow able to allude to the reality that has remained outside the representation by limiting its possibilities.

Barbara Bruni: Jean Rouch. Cinéma-vérité, Chronicle of a Summer and The Human Pyramid, op Senses of Cinema

En Godard vat het allemaal als volgt samen:

Jean Rouch has not usurped the title printed on his visiting-card: ‘Research Assistant to the Museum of Man’. Is there a better definition of the filmmaker?

Jean-Luc Godard in “Godard on Godard”, ed. Tom Milne, 1972

Rouch was directeur van de filmafdeling van het etnologische museum van Parijs, het Musée de l’Homme. Oorspronkelijk was hij opgeleid aan de École des Ponts et Chaussées (de school voor  bruggen en straten) en droomde hij van een bestaan als bruggenbouwer. De oorlog onderbrak zijn studie: Rouch moest het leger in, waar zijn compagnie de opdracht kreeg de opmars van het Duitse leger te vertragen door alle bruggen die ze konden vinden op te blazen. Rouch vertelt erover in de documentaire Conversations With Jean Rouch (Ann McIntosh, 2004). Staand op een heuvel, sprekend in wat gebrekkig Engels, uitkijkend over de streek waar hij zo’n 65 jaar eerder op strooptocht tegen de bruggen ging:

I knew that here, there was a direct change of my mind. I was not believing in anybody after that. It was impossible for me to believe in my father, in my professors, impossible to believe in god, impossible to believe in Freud, Marx… nothing. That was the end. And it started just there, a wonderful day in May.

Zo begon het dus allemaal: met het verlies van alle geloof, met volledige onafhankelijkheid (van autoriteiten en ideologieën, van feiten en verklaringen) en dus met absolute vrijheid. De geboorte van een groot filmmaker, die in de 60 jaar daarna in al zijn films zijn afhankelijkheid weer opbouwde, zich in feite constant afhankelijk maakte, dwz zich engageerde, de verantwoordelijkheid van (niet voor, maar van) de waarheid en de werkelijkheid op zich nam.

En zo eindigt het, niet met een auto ongeluk in Niger op 18 februari 2004, maar met een droom – opnieuw in Conversations with Jean Rouch, in gebrekkig Engels, wandelend door een weiland: het eindigt met een droom van afhankelijkheid, met de mogelijkheid ergens in te geloven, al is het maar een film…

I think myself, very profoundly, that it is impossible to do what you have to do in one lifetime. Then it means that some other generations are going on. And Vertov said that what’s important is not to make a film, but to make films that are just procreating new films. Well, and that’s my dream.

Rouch quotes komen uit fragmenten van genoemde films, die te zien zijn op deze uitmuntende Jean Rouch tribute site. De films van Rouch zijn schandalig ontoegankelijk. Zijn beste films zijn alleen te krijgen op een Franse dvd-box zonder ondertiteling. Recent is daar een tweede box bijgekomen, ditmaal wel ondertiteld, maar met mindere werken – voor zover die classificatie opgaat voor Rouch. Wel het een en ander op internet, vooral korte, niet ondertitelde fragmenten, maar ook (na wat gezeik met een player die je moet downloaden) Rouchs meesterwerk Les Maîtres Fous, zowaar met Engelse ondertiteling. Er is een makkelijk te vinden torrent van Chronique d’un Été, met Engelse ondertitels via opensubtitles.org. Voor de Portugezen is er ook een torrent van Moi un Noir met Portugese ondertiteling.

h1

frame 22 | remembering de sica

13 november 2009
Ladri di Biciclette, 1948

Vittorio de Sica † 13 november 1974

Vandaag is het precies 35 jaar geleden dat Vittorio de Sica overleed. En we missen hem nog steeds ontzettend.

In 1952, after his last ‘good’ film, Umberto D, flopped (read: “made no money”), De Sica answered the call of David O. Selznick and directed Stazioni Termini (1952), clumsily renamed Indiscretion of an American Wife in the US, starring Selznick’s wife, Jennifer Jones. Living up to her reputation as a notorious pain in the neck, Jones was required to wear a Christian Dior hat that she hated so intensely she attempted to flush it down a toilet. De Sica explained to her morosely that he could have made another The Bicycle Thief with what her hat was worth.

De Sica never made another The Bicycle Thief. He became the pampered captive of the likes of Joe Levine and Carlo Ponti. Even his old comrade, Cesare Zavattini, with whom he first found his authentic voice in I Bambini ci Guardano, (The Children Are Watching Us, 1943), would follow him into obscurity. Their commitment to examining the lives of the poor was derived from their devotion to Communism, which Mussolini helped arouse, and which a crippled economy after the war allowed to blossom into what is probably the single most important movement in film – only later to be codified by the term neo-realism.

Neo-realism would quickly become a political, as well as an artistic, creed. Every Italian film was scrutinized for its fidelity to an inviolate code. What saved De Sica from becoming merely doctrinaire, and what would arouse the disfavor of doctrinaire Italian critics, was his unflinching honesty and his unwavering compassion for what most of us have since forgotten – the “invisible ones” who unwittingly fell through the cracks in our universe: the shoeshine boys of Rome; a paper-hanger who has to sell his nuptial linen to buy a bicycle; an orphan boy whose only escape from a Milanese shanty town is with an enchanted dove; an old man driven to beg for a few lire so that his dog can have a saucer of milk. It is the measure of the humanity of any age if it can sometimes find its heroes in such company.

Dan Harper: A Noble Ruin – Remembering De Sica, 2000

h1

frame 66 | remembering fassbinder

10 juni 2009
Das Kleine Chaos | Rainer Werner Fassbinder, 1966

Das Kleine Chaos | Rainer Werner Fassbinder, 1966

Vandaag is het precies 27 jaar geleden dat Rainer Werner Fassbinder overleed.

In the life of every human being there comes the terrible, wondeful moment that forces its way into the consciousness of some like a lightning bolt and into the subconscious of others like a sacred pain, the moment when you recognize the finitude of your own existence. [...] This terrible recognition that we will come to an end, instead of liberating us, which it actually could and should, rather shores up our tormented pursuit of pleasure, our happiness in our mediocre unfreedom. The enjoyment made possible by this recognition of the ultimate meaninglessness and actual fortuitousness of every existence is not taught as enjoyment to be experienced, not as pleasurably liberated pleasure, but as fear, which in pleasureless pleasure makes absence of freedom palatable.
This admirable jungle seems to have no way out, except through the decision in favor of death, except perhaps for the path described in Despair, the path into madness, which one can choose for oneself. [...] One day, when I demand a decision of myself, I hope I’ll have the courage to choose one of these paths, and not to settle for the easy way out.

Rainer Werner Fassbinder, 1978 (uit The Anarchy of the Imagination, edited by Michael Töteberg & Leo A. Lensing, 1992)

Aldus, als famous last words: de slotzinnen uit Fassbinders derde (korte) film, Das Kleine Chaos (hier op youtube).

Wat vooraf ging: Franz (Fassbinder), Marite en Theo hebben een vrouw beroofd.

FRANZ Wat ga jij doen met jouw deel van de buit?
MARITE Ik ga een jurk kopen, make-up, dat soort dingen.
FRANZ En jij?
THEO Misschien een teddybeer voor mijn zoon. En jij?
FRANZ Ik? Ik ga naar de film!

- zoom op Fassbinders lachende gezicht, popmuziek kicks in (I can’t control myself), Fassbinder & friends rennen naar buiten, aftiteling (zie frame), schluss.

~ meer fassbinder in frames 42 en 54

h1

frame 96 | remembering cassavetes

3 februari 2009
Husbands

Husbands | John Cassavetes, 1970

Listen, you fuckers, you screwheads. Here is a man who would not take it anymore. A man who stood up against the scum, the cunts, the dogs, the filth, the shit. Here is a man who stood up.
(Travis Bickle in Taxi Driver, 1976)

Na twee traumatische ervaringen als studioregisseur keerde Cassavetes (derde van links, met favoriete acteurs/vrienden Peter Falk en Ben Gazzara) zich af van de filmindustrie as they knew it en maakte zijn eigen films, op zijn eigen manier, met zijn eigen middelen (hij vond Hollywood “so regulated, so intoxicated with profits, so violently and quietly competitive that its boundaries make the Berlin Wall seem like something out of Disney”).

John Cassavetes is vandaag precies 20 jaar geleden overleden. Cassavetes zei “You must be willing to risk everything to really express it all.”

En in Husbands zegt Cassavetes: “Don’t believe truth, just don’t believe truth.”

Want zodra waarheid waar wordt, verliest het haar werkelijkheidsgehalte en wordt het een leugen. Cassavetes probeerde zijn leven lang de werkelijkheid van zichzelf te bevrijden (de ondertitel van Husbands is dan ook A Comedy About Life, Death and Freedom), leven terug te vinden in het leven, expressie terug te vinden in de film.

Er wordt wel gezegd dat Fassbinder en Godard op heel verschillende manieren precies hetzelfde deden; dat zij beide filmcritici waren die hun kritiek op het medium niet opschreven maar in beeld brachten. Dat geldt ook voor Cassavetes. Zijn films kritiseren de werkelijkheid van de film en zoeken naar andere manieren om uitdrukking te geven aan de tegenstrijdige waarheden die een leven bepalen.

Film kan de werkelijkheid tonen en maken, uitdrukken en opdringen. Cassavetes wilde de werkelijkheid betrappen. Voor zijn eerste film, Shadows (1959), werd veel op straat in New York gefilmd – heimelijk, want zonder geld, dus zonder vergunningen. Als de politie de filmmakers weg kwam sturen, gooide Cassavetes de camera in een auto die altijd met draaiende motor klaarstond, opdat de beelden ontsnapten aan de greep van de regulaties. Stealing shots, noemde hij dat.* Dan zou je kunnen zeggen dat Cassavetes’ films een vorm van stealing life zijn.

Aldus, als famous last words:

Gus (Cassavetes) en Archie (Peter Falk) zijn op de begrafenis van hun vriend Stuart (tweede van links in het frame).

GUS Don’t believe truth, just don’t believe truth. Archie, I’m telling you, don’t believe truth.
ARCHIE That is the truth now. You see, the truth will never kill you. Lies will. Not cigarettes, not alcohol – lies, Gussie. Lies and tensions. That’ll kill you.
GUS Now give me a cigarette, will you? Give me a cigarette!

* de anecdote komt uit Ray Carney’s Cassavetes on Cassavetes (Faber & Faber, 2001).

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.